Klik hier voor het overzicht van alle blogs
2013: het jaar dat de zorg de deur uit gaat (2)
Geplaatst op
In mijn vorige blog schreef ik al over de gevolgen van extramuralisering van de zorg voor het vastgoedbeheer van zorgorganisaties. Geen kleinigheid, want als cliënten met een ZorgZwaartePakket (ZZP) 1 of -2 indicatie alleen nog maar op eigen kosten in een verzorgingshuis terecht kunnen, betekent dat vrijwel zeker een fors kleinere toeloop voor de zorginstelling. Wat te doen met de vrijvallende ruimte is dan de eerste uitdaging die naar voren komt.
Veel mensen in de zorg zullen er ook op wijzen dat er nieuwe kansen zijn. Want al die cliënten die vóór 1 januari 2013 nog in een verzorgingshuis terecht konden hebben alsnog zorg nodig – maar nu aan huis. Zorginstellingen die hier op in weten te spelen kunnen hier hun voordeel mee doen.
Dat vraagt dan wel wat van het verzorgend personeel. Want in plaats van een vaste werkplaats met vaste collega’s om hen heen zullen deze medewerkers nu in hun eentje op pad moeten. En hoewel dat goed kan zijn voor de relatie tussen cliënt en verzorgende, kan ik me ook voorstellen dat het nogal eenzaam voelt voor de verzorgende. Even stoom afblazen bij collega’s, sparren over hoe om te gaan met nieuwe gezondheidsproblemen van een cliënt – het is er in deze nieuwe zorgsituatie niet meer bij. Dat is overigens niet uniek voor zorg aan huis: ook bij kleinschalige woonvormen gebeurt het regelmatig dat verzorgenden ’s nachts in hun eentje aanwezig zijn in de woning. En ook deze verzorgenden hoor ik vaak verzuchten dat ze graag eens de kans zouden hebben om informeel bij te praten met hun collega’s, net als vroeger.
Naast deze meer “zachte” kant is er ook nog een praktisch aspect aan zorg aan huis dat moet worden opgelost. Want in de zorg werken veel medewerkers parttime, wat betekent dat cliënten die dagelijks zorg nodig hebben deze krijgen van 2, 3 of meer verschillende medewerkers. En hoe kun je de overdracht van klantinformatie regelen tussen deze medewerkers, zodat elke medewerker direct de laatste stand van zaken weet over gezondheidstoestand en welbevinden van de cliënt?
Dit probleem is bepaald niet nieuw. In de thuiszorg speelt dit issue al langer, en zijn er in de praktijk ook verschillende oplossingen voor verzonnen. Die variëren van een papieren schriftje dat thuis bij de cliënt op tafel blijft liggen tot hele informatiesystemen die het mogelijk maken om met een barcode alle recente informatie over de cliënt op te slaan of juist op te halen. En die laatste systemen bieden vaak ook de mogelijkheid tot online communities waar de medewerkers hun vragen en zorgen uit kunnen wisselen en –virtueel – contact met hun collega’s kunnen zoeken. Er zijn ondertussen verschillende software-oplossingen (zoals Caress en Caren/ONS) die hier ondersteuning in bieden.
Veel zorginstellingen hebben ondertussen de toegevoegde waarde ontdekt van een online cliëntendossier gecombineerd met een medewerkersportal. Er zijn legio voorbeelden, waarbij Vivent en ’s Heeren Loo er enigszins uitspringen door hun uitgebreide pilots. Ook ik heb enkele pilots van dichtbij mogen begeleiden, en ik ben daarbij tot de conclusie gekomen dat de uitdaging meestal niet zit in de software (al kan die ongetwijfeld op bepaalde punten beter). Het zit ‘m vooral in de wijze waarop deze technologie in de organisatie wordt ingevoerd.
Wat wil er nog wel eens mis gaan?
Gebrek aan instructie.
Vaak krijgen medewerkers wel vooraf een cursus in het gebruik van de software zelf, maar niet in het gebruik van de tablet of smartphone waarmee ze op pad worden gestuurd. Dat leidt niet alleen tot problemen in het fysieke gebruik van de apparatuur. Het zal ook niet de eerste keer zijn dat er geen goede afspraken worden gemaakt over het privegebruik van de tablet of smartphone door de medewerker. Met als gevolg hoge kosten voor de instelling omdat medewerkers met hun smartphone vanuit het buitenland bellen of zelf betaalde apps installeren op hun tablet.
Onvoldoende nagedacht over beveiliging.
Omdat er wordt gewerkt met mobiele apparaten, is er een grotere kans op verlies of diefstal. De kans dat daarmee gevoelige informatie letterlijk op straat komt te liggen wordt daarmee groter. Iedereen kan zich vast nog wel de commotie herinneren toen een rechter een USB-stick met gevoelige gegevens in de trein verloor. Met dat soort aandacht wil je niet dat je zorginstelling in de media komt.
In de beheerafspraken over de apparaten en de inrichting van de software moet je dus vooraf nadenken over hoe je met gegevensbeveiliging om wilt gaan. Versleuteling van gegevens, van afstand wissen van een tablet of smartphone – het is allemaal mogelijk. Maar dan moet de organisatie wel vooraf stilstaan bij de risico’s, en deze afwegen tegen de beveiligingskosten.
Te weinig gedacht vanuit de medewerkers.
In de praktijk wordt de invoering van medewerker-ondersteunende systemen besproken met de afdelingen ICT, P&O, Planning, Financiën – kortom, nagenoeg alle stafafdelingen. Maar niet of nauwelijks met de verzorgende medewerkers zelf. In mijn ogen een gemiste kans. Want deze medewerkers weten bij uitstek te benoemen waar ze in de praktijk tegenaan lopen. Zij kunnen ook als geen ander aangeven waar ze behoefte aan zouden hebben om hun werk écht makkelijker te maken en beter te kunnen doen. Dat houdt vaak in dat er iets meer moet gebeuren dan alleen tablets of smartphones met software uitdelen en een gebruikerstraining geven. Vaak zullen de wensen van de medewerkers ook aanleiding geven tot het aanpassen van registratie- of planningsprocessen. Toegegeven: dat kost dan in eerste instantie meer. Maar het levert uiteindelijk een heleboel op. Efficiëntere processen en tevredener medewerkers en cliënten. En daar was het uiteindelijk allemaal om begonnen.
